Mijn opa had een mooie uitdrukking. “Er komt een gebrek aan domme mensen”. Het was de tijd dat Wim Kok nog als voorvechter van de arbeidersklasse de FNV aanvoerde, en mijn opa als grootgrutter in groente en fruit regelmatig foeterde als Kok weer eens het stakingsmiddel ter hand nam om werkgevers de voet dwars te zetten.
In de jaren zeventig was kennisontwikkeling nog niet zo’n thema, in tegenstelling tot geld en vrije tijd, maar de strekking van mijn grootvader was helder: er gaan zoveel mensen naar universiteiten en hogescholen dat het ‘domme werk’ straks niet meer gedaan wordt. Hij hield van vakmensen. Mensen die ‘geschoold’ waren in broodbakken, schilder- of timmerwerk, monteurs die sleutelden aan vrachtwagenmotoren. Ik denk weleens dat hij gelijk heeft gekregen. Waar is de waardering voor de vakmensen gebleven? Waar is de waardering voor VMBO gebleven? Steeds vaker wordt het VMBO geproblematiseerd en het imago van deze opleidingsinstituten is verre van geweldig.
Ik vraag me weleens af hoeveel marktonderzoekers anno nu ervan droomden om later marktonderzoeker te worden. Dat kunnen er nooit veel zijn. Mijn kinderen vroegen toen ze klein waren nooit wat hun vader precies voor werk deed. Geen politiewerk, geen verpleging, geen piloot, geen bouwvakker. Nee, Marktonderzoeker. Ik herinner me dat een van de kinderen aan schoolvriendjes vertelde dat ik elke dag op de markt liep. Op zich geen vreemde gedachte. Want de markt is een begrip voor kinderen, of je nu op de Albert Cuyp winkelt of je visje gaat halen op een lokale dorpsmarkt. Je ziet er kramen, divers aanbod, veel verschillende mensen en tassen aan fietsen. Pas toen ik projecten voor Mars ging doen, en met samples van Dove, Skittels en Milkyways terug kwam werd het een gewaardeerd en bekend ‘beroep’ in de ogen van mijn kinderen. Maar wat als je nu klanttevredenheidsprojecten draait voor verzekeringen, of voor schooltoetsen? Wat nu als je root cause analyses maakt. Ja da’s minder sexy als het werk van een politieman op straat. Op straat schrijf ik er bij want een politieman achter het bureau (is dat trouwens een white or blue collar worker
) is natuurlijk ook niet sexy. Nee, marktonderzoekers moeten op zoek naar nieuwe namen. Filmproducent, journalist, scriptwriter, storyteller, futurist, of beter nog: diepzeeduiker, bergbedwinger, luchtspotter, aardmannetje, veroveraar, expeditionist of heelalholist. De laatste tijd experimenteer ik met ‘consumentoloog’. Beetje jaren 80 misschien maar het roept veel vragen op, en dan kan ik mijn verhaal kwijt. Want dat heb ik inmiddels wel geleerd te vertellen.
In mijn boekenkast staat het boek “Working” van Studs Terkel. Daarin beschrijft hij prachtige verhalen van Amerikanen in hun job. Larry Ross is een van hen. Prachtig beschrijft hij dat hij niet geëquipeerd was om dokter, of advocaat te worden. Iets trok hem naar ‘selling’, “now they call it marketing” vertelt hij. Uiteindelijk werd hij president of the conglomerate. Het blijkt een business jungle, waar survival het thema was. Na verloop van tijd verdwijnt hij en wil hij docent worden. Maar het onderwijs was ook een jungle en ze wilden daar geen ‘businessman’. Op de vraag wat hij het liefst zou willen antwoordt hij: “I’d like to get involved with young people and give my knowledge to them before it’s buried with me. Not that what I have is so great, but there’s a certain understanding, a certain feeling ….” Toen wist ik het: onderzoekers moeten hun gevoel etaleren. Het gevoel van de inzichten die ze elke dag weer opdoen: het gaat niet om het probleem van de klant, het gaat om de klant. Terkel leerde het meest van de mensen in de lobby van het hotel van zijn ouders en van zijn bezoekjes aan BugHouse Square in Chicago (een soort Hyde Park Corner). Ik zou zeggen: op zoek naar de zeepkist!